Brief aan GG Apeldoorn
Geachte heer Visser,
Met dit briefje neem ik de vrijheid u onaangekondigd aan te schrijven. Aan u dan ook geheel de vrijheid het wel of niet te lezen. Maar misschien mocht het u interesseren.
U bent predikant van de gemeente te Apeldoorn, waar ik een paar keer ben geweest, en een paar mensen ken. U heeft hier misschien wat van meegekregen, want ik had een beetje voor “reuring” gezorgd.
Dit achter mij latend, wilde ik nog wel iets ook voor u achterlaten, ter overdenking, misschien binnenkort op een herfstige avond, als het in uw gemeente rustig is en u even adem kunt halen van uw drukke werkzaamheden.
Dit gaat over de werking van de bijzondere genade, en specifiek de uitleg van “Dordt” hierover.
In de tekst hieronder staat eerst een verwijzing naar Ds. L. Vroegindeweij in uitleg van Dordtse Leerregels hoofdstuk 2 paragraaf 5 en daarna een reactie hierop.
Tot een reactie van uw kant op onderstaande ben ik graag bereid.
Met vriendelijke groet,
Maurice Luymes
Uit de bronnen
Ds. L. Vroegindeweij in uitleg van Dordtse Leerregels hoofdstuk 2 paragraaf 5
Ook de verantwoordelijkheid kan niet te sterk gepredikt worden, als men maar op z’n hoede is voor de gedachte van de vrije wil. Die sluipt gemakkelijk in. Maar is dan de kracht van de prediking niet gebroken als men vasthoudt aan de onmacht van de hoorder ten goede? Volstrekt niet. De gereformeerde prediker staat veel sterker dan de remonstrantse. Bij de laatste moet het van de mens komen. God zorgt alleen voor helpende genade. Wij hebben niet de minste verwachting van de mens. Maar wij mogen wel verwachting van God hebben en veel ook. God kan doden levend maken.
Hij heeft beloofd te willen horen naar het gebed. Het is Gode aangenaam dat de geroepenen tot Hem komen. Wat een motieven om zeer aan te dringen op de vernedering voor God, op het geloof in Gods goedertierenheid, op een smeken om ontdekking en om een kind gemaakt te worden. Wie geen kind wordt, kan nooit Gods Koninkrijk ingaan. En alleen de Heilige Geest kan wederbaren. (…)
Laat dit gepredikt worden en de belofte van het Evangelie erbij dat God de Heilige Geest geeft aan de armen, de verslagen tollenaars, de rouwmoedige Magdalena’s die Hem bidden.
Wie geen kind wordt, kan nooit Gods Koninkrijk ingaan.
Hier kan ik mee instemmen. Ik heb eens met de A.I. dit soort teksten doorgenomen. In zijn woorden: “een vraag die gesteld is met de zuiverheid en openheid van een kind, opent de deur”
Maar nu opgepast, en dat is een andere waarschuwing dan vermeld in bovenstaande: men moet dan niet alleen de kinderlijke onschuld tot uitgangspunt maken, maar dat ook verwerken in de nadere toepassing.
Dat gaat bij mij anders dan bij de heer Vroegindeweij.
Zijn stuk is een redelijk abstracte verhandeling, en enigszins filosofisch, hoe dit in algemene zin zou gaan, met de verwerving van de bijzondere genade.
Als men kinderlijke onschuld tot uitgangspunt maakt, dan moet men de filosofisch-analytische methode liever buiten de deur houden, want dat is een met name “volwassen aanpak”. Men kan als alternatief eerst ook maar eens een kinderlijk eenvoudig voorbeeld gebruiken, hoe in enige situatie men zou kunnen handelen als voornoemd, “met de zuiverheid en openheid van een kind een deur openen”.
Eerste voorbeeld; neem een kind, dat vraagt om een ijsje. Zou een vriendelijke vraag een deur openen naar een ijsje?
Als een kind zijn moeder vraagt: “mag ik misschien een ijsje?” dan drukt deze vraag de kern uit van kinderlijke onschuld. De kans dat dit wordt ingewilligd is groot.
De A.I. noemt dit: “een bescheiden vraag, zonder manipulatieve bijbedoelingen, zonder eisen, en zonder bitterheid”; “een pure, open en kwetsbare expressie van een diepe menselijke wens”.
Tweede voorbeeld; ik heb dit zelf ook toegepast, toen augustus 2018 mijn ex vrouw ernstig ziek werd
De artsen zeiden bij het “slecht nieuws gesprek” dat zij niets meer voor haar kunnen doen, en haar leven was dus eigenlijk ten einde. Het was rond 11.00 uur ’s ochtends, de kinderen zouden snel uit school komen: wat moet je doen.
Je kan je dan alleen maar bescheiden opstellen en ik vroeg destijds “aan de hemel”, waar anders, je staat immers met de rug tegen de muur: “Wat moet dat moet, als dat zo moet zijn”, “maar kunt U wellicht mij een verklaring geven waarom, dan kan ik het wellicht beter verdragen, en uitleggen aan de kinderen”.
Dit is ook een vraag van het type “mag ik een ijsje”. Je vraagt alleen iets kleins. Toen ik dat vroeg ging prompt de telefoon, arts aan de lijn: excuus we hebben ons vergist, we kunnen u toch helpen, kom maar snel terug naar het ziekenhuis.
Nadere toepassing aan de hand van de tekst hierboven
Dit kan men boekhoudkundig wegschrijven als “toeval”, maar dat vind ik te eenvoudig. Bovendien heb ik het vaker geprobeerd en het werkt op wetmatig precieze wijze. Het voorbeeld van de ijsjeswinkel laat ook mooi zien dat het universeel is.
Ik zie desondanks dat het maar matig op dergelijke exacte manier wordt toegepast, en dat vond ik intrigerend. Ik vermoed dat dit komt omdat volwassenen minder graag smullen van ijsjes, maar wel van de “filosofisch-analytische aanpak”. Maar dan is de oplossing ook gelijk weg.
Dan is de oplossing echter ook direct weg.
Als ik mijn versie zou ontleden, dan zou ik nog eens kijken naar hoe de A.I. dat verwoordde. In die woorden kwam tot uitdrukking dat men bijzondere genade krijgt als men een vraag op de juiste manier stelt, de A.I. zei ook: “op de juiste frequentie”.
Als ik de woorden van de A.I. zoals die hierboven staan wat nader in ogenschouw neem, dan kan ik dat kan ik dat haast op een boekhoudkundige manier op een rij zetten, en uitschrijven aan welke voorwaarden de vraag dient te voldoen: A. bescheiden, B zonder bijbedoelingen, C zonder eisen, en D zonder bitterheid.
Deze omschrijving is een rechttoe-rechtaan methode. Als men echter een filosofisch-analytische methode gebruikt, dan ontstaat er een heel ander effect en wel het direct tegenovergestelde.
Dat betekent dat men terechtkomt in een wereld, waar altijd allerlei opties mogelijk zijn, die doorgaans ook diametraal tegenover elkaar staan, en die ik zou kunnen aanduiden als een “mijnenveld”
Zie bovengenoemd citaat van de heer Vroegindewey:
Hij schrijft: “De gereformeerde prediker staat veel sterker dan de remonstrantse. Bij de laatste moet het van de mens komen. God zorgt alleen voor helpende genade. Wij hebben niet de minste verwachting van de mens.”
Dit is op zich correct. De remonstrantse manier komt in feite neer op het kind dat tegen de moeder roept: “ik wil een ijsje!!!!” Als een kind op zo’n manier tegen zijn ouder praat, dan zal de ouder waarschijnlijk zeggen: “zo vraag je dat niet” en het kind krijgt vervolgens niets.
Hij schrijft echter vervolgens: “Maar wij mogen wel verwachting van God hebben en veel ook. God kan doden levend maken.”
Dat kan mijns inziens, met alle respect, ook niet. Dat is in feite het kind dat tegen de moeder bescheiden zegt: “mag ik een ijsje”, maar daaraan toevoegend: “liefst veel met slagroom”.
Men kan zeggen: de remonstrantse variant is brutaal naar de vorm, en lieflijk naar de inhoud, het kind vraagt immers alleen een ijsje. De gereformeerde variant is lieflijk naar de vorm, en brutaal naar de inhoud.
Dit kan ook niet anders, men heeft immers de kinderlijke onschuld losgelaten, en dan komt men in een mijnenveld, en een mijnenveld karakteriseert zich per definitie door totale chaos, waarin van alles door elkaar gaat lopen.
De persoon met kinderlijke onschuld loopt, als u mij deze visuele uitwerking vergeeft, daar echter dwars doorheen.
Het loopt van de ene plek op het mijnenveld naar het andere, van de ene plek “zonder” mijn eronder, naar de andere plek “zonder” mijn eronder, met de vraag A. zonder je bescheidenheid op te geven; B. zonder bijbedoelingen; C zonder eisen en D zonder bitterheid.
Als hij in zijn stuk schrijft: Maar wij mogen wel verwachting van God hebben en veel ook, dan gaat de deur direct in het slot. Het is te dwingend.
Zoals hierboven: ik hoef helemaal geen verwachting te hebben dat God mijn ex vrouw levend gaat maken; waarom zou dat het geval zijn. Dat zou best kunnen. Mensen kunnen sterven, mensen kunnen ook sterven als zij jong zijn, mensen kunnen ook sterven als zij nog jonge kinderen hebben, dat is immers niet aan mij te bepalen.
Ik stel alleen de bescheiden vraag, of ik misschien iets van de reden mag weten, waarom dit gebeurt; alleen de reden vragen, is in feite “super bescheiden als een ijsje”
Misschien dat u van oordeel bent dat hier geen sprake is van tegenstrijdigheid, maar het verschil is heel secuur.
Zijn antwoord lijkt wel juist, inderdaad, God kán doden levend maken. Maar het is gesteld vanuit het perspectief van de filosoof-analyticus. Vanuit dat perspectief kan het inderdaad, vanuit dat perspectief kan immers álles, zowel het één als het ander. Als men in abstracto gaat redeneren, kan alles.
Maar vanuit de kinderlijke onschuld, moet men niet redeneren vanuit het perspectief van de filosoof-analyticus, maar vanuit de zuivere intentie zoals van een kind. Dat is gericht op de concrete, praktische situatie in het dagelijks leven. Zou men, bij de methode “alles kan”, nog wel voldoen aan de norm “zonder bescheidenheid”?
Er is nog een ander verschil
Als men de filosofisch-analytische methode pakt, dan gaat het gelijk op allerlei front mis. Men vervalt dan namelijk tot materialisme. De vraag is immers naar het leven, God kan de doden levend maken, en dat gaat materieel om ons leven.
Als men de methode gebruikt van de kinderlijke onschuld, dan houdt men het geestelijk; men accepteert het verlies, maar vraagt naar de reden van dat verlies. Dit is een geestelijke aanpak. Het verschil in methode impliceert, dat het geestelijk niveau van vraagstelling rechtevenredig meedaalt, of meestijgt, naargelang welke methode men kiest, en daaruit ontstaat de vraag: voldoet men met de niet-zo-geestelijke aanpak nog wel aan de norm “zonder bijbedoelingen”?
Nog een verder onderscheid
Een nog ander frappant onderscheid. Als men de methode kiest van de kinderlijke onschuld, dan vraagt men naar de reden en dat verwijst uiteindelijk naar God als Degene Die voor iets wel of geen redenen heeft. Het is “gericht op de Vader”.
Als men de filosofisch-analytische methode kiest, dan is het veel meer ego-gericht: God “kan de levenden dood maken”. Dat gaat over “ons”; en dan krijgt het ook iets eisends, in de trant als God dat kan, moet dat dan ook niet gebeuren? Maar voldoet men dan nog wel aan de norm “zonder eisen”.
Voorbewustzijn
Een ander frappant verschil is de zekerheid. Als men vraagt naar het “waarom”, “waarom moet iemand zomaar sterven”, dan is er eigenlijk al een voorbewustzijn dat dit goed gaat aflopen. Die reden is er namelijk vermoedelijk niet, dat kan je eigenlijk al tevoren inschatten, er is eigenlijk geen goede reden waarom iemand voortijdig overlijdt.
Bij de filosofisch-analytische methode heb je dit niet. Daar hangt alles af van de feitelijke omstandigheden van het geval. Je moet dan maar achteraf afwachten, of je wel of geen zegeningen krijgt, en daar proberen ze dan aposteriori gevolgtrekkingen uit te herleiden, maar dat geeft nooit zekerheid. Ook praktisch werkt het niet, praktisch leidt dit weer tot materialisme, want je moet aan de materiele omstandigheden jouw zegeningen tellen. Dit heeft in het verleden tot vervelende uitwassen geleid, het kan zelfs leiden tot een “rat race”, en voldoet men dan nog wel aan de norm “zonder bitterheid”.
Als ik dit samenvat
Als ik dit zou samenvatten dan is het resultaat verbijsterend, vanuit welk perspectief men ook kijkt, en ik zou ook kunnen zeggen: vernietigend voor de filosofisch-analytische aanpak.
De methode van de kinderlijke onschuld staat daarentegen als een huis. En er zijn allerlei manieren dit nader uit te werken.
Een heel bijzonder voorbeeld van een vraag met zuivere intentie staat in het Evangelie. In het Evangelie ziet u Jezus, en Hij gaat een lijdensweg.
Dat is op zich contrair aan elkaar: hoe kan dat, zou de filosoof-analyticus kunnen vragen. Maar aan het eind van de lijdensweg vraagt Jezus: God, God, waarom heeft U Mij verlaten. En prompt verandert het scenario, wordt het lijden afgebroken, en het proces tot wedergeboorte ingezet.
Ik ga dit hier in deze brief niet uitwerken, want dan wordt het te lang, maar de tekst laat zien dat dit een zuivere bescheiden vraag is, van bovenstaande type “kunt U een reden geven waarom. . . “
Cultuurproblemen
Een andere uitwerking kan gaan over onze cultuur. Ik heb vorig weekend een artikel gelezen over Polen, toch van oudsher ook een christelijke natie. Maar dit is compleet weg, Poolse jongeren zijn seculier geworden, alleen nu weten ze niet meer waar ze zingeving moeten zoeken.
Dit heeft een aantal vervelende neveneffecten, zo is de “fertility rate” compleet ingestort, tot bijna 1.0, waardoor de Poolse natie in gevaar is, deze keer niet door een bestorming van grootmachten als Duitsland en Rusland, maar door innerlijke leegte. Een vaccuüm vult zich vanzelf op, en in dit geval met duizend-en-één onzekerheden: jJongeren voelen zich overweldigd door de eisen op het werk, hoewel ze veel minder uren werken dan hun ouders, ze voelen zich eenzaam, hebben een laag zelfbeeld, en zelfs iets onschuldigs als “daten” gaat ze veel minder goed af.
Het zou de jongeren kunnen helpen, als zij het Evangelie weer leren begrijpen. Daarvoor lijkt mij echter een vertaalslag nodig, zoals ik beoog in bovenstaande. Ik vroeg mij af waarom, en waarom mensen dit vroeger kennelijk niet nodig hadden.
Het mogelijke antwoord is dat jongeren de kerk vroeger vertrouwden als instituut op zichzelf: de kerk is de kerk, en die staat voor de waarheid, punt uit. Maar tegenwoordig in onze moderne informatiemaatschappij is dat anders, men stelt kritische vragen
Men zou kunnen zeggen dat wat er in de gereformeerde gezindte is opgebouwd aan dogmatiek, in feite al een reactie is op dit “signaal van de moderne tijd”. Maar het is oppassen welke methode men dan inzet.
Theologen zijn natuurlijk volwassenen, en die kunnen zomaar geneigd zijn de filosofisch-analytische methode te kiezen.
Men kan mijns inziens beter leren hoe men vanuit kinderlijke onschuld vraagstukken kan benaderen.
Het bovenstaande over de bijzondere genade is er een voorbeeld van, maar dat kan nog veel verder gaan. Als men namelijk leeft vanuit bijzondere genade, dan geldt “the sky is the limit”
Zo kan men ook de teksten “doorlichten” en de structuur hieruit halen, iets waarbij men nu nog niet eens begonnen is. De structuur is steeds als volgt:
Ook teksten als Ruth 1-4 en Johannes 1-4 zijn opgebouwd volgens deze format. Zo leest men in Ruth eerst twee hoofdstukken over haar vertrek uit Moab, aankomst Bethlehem, en veel nadruk op oogsten (“natuur”); en in de volgende twee hoofdstukken bijzondere nadruk op verwikkelingen tussen Ruth en Boaz (“mensen”).
Dit is geen toeval; in een wereld die wordt geregeerd door bijzondere genade bestaat God’s almacht en deze vorm van almacht, als u mij toelaat die nader te definiëren, houdt in dat hij geen ruimte toelaat voor toeval.
Men kan dit ook nog nader omschrijven, in de zin dat als men aan “zijn of haar Passiva kant” bescheidenheid toepast, dat men dan aan de “Activa kant” bijzondere genade genereert.
Het kantelpunt zit hem dan opvallend vaak bij het woord “waarom”. Dit kan verklaard worden, doordat op een vraag “waarom heeft U Mij verlaten” geen afdoende antwoord bestaat. Immers, ja, waarom zou God Zijn Zoon verlaten. Dus moet het scenario aangepast worden.
Dat is net zoals dat er een reden zou zijn waarom een moeder zomaar uit het leven van haar kinderen zou worden weggenomen. Daarvoor bestaat geen afdoende reden, dus hoeft het niet te gebeuren. Mits men het vraagt, en de vraag daarbij op de juiste wijze stelt.
Men kan voor degenen met een natuurkundige achtergrond hierbij ook nog een nadere verfijning aanbrengen.
Men kan er voor hen op wijzen dat onze werkelijkheid “aan de Activa kant” bestaat uit potentiële energie, en dat is een potentieel veld, waarbij men God kan zien als de bestuurder van het veld. Elk potentieel veld reageert op signalen, en afhankelijk van welk signaal men uitzendt, komt er een reactie.
Als ik als signaal uitzend “ik wil ijs!” dan is dat wat men wetenschappelijk noemt een “stummes Signal” en volgt geen reactie, het signaal ketst af op een muur. Als men een signaal afgeeft van het type “mag ik AUB een ijsje”, dan is dat een “intelligentes Signal” en volgt er wel een reactie.
Ook leuk: voor de mensen met interesse in politiek
Men kan met kinderlijke onschuld veel makkelijker politieke problemen oplossen. Zo hebben we in Nederland een migratieprobleem. Eén van de oorzaken is dat mensen niet weten hoe ze met asielzoekers moeten omgaan.
Dat is echter niet zo moeilijk. Zo is één van de grootste groepen tegenwoordig asielzoekers uit Eritrea, ook bekend als “het Noord-Korea van Afrika”. Die vluchten vanwege militaire dienst. Als ze hier komen, claimen ze recht op asiel, omdat ze bij terugkeer zwaar worden bestraft vanwege dienstplichtontduiking of desertie. Dat wordt hun dan ook gegeven.
Dit kan veel eenvoudiger. Men kan vaststellen dat militaire dienstplicht op zichzelf, ook in een land als Eritrea, niet onoverkomelijk is, en als men daarvoor toch hier komt, dan geldt als “eigen risico”, “dan krijg je niets”. Als men dat deugdelijk publiceert als nieuwe beleidsrichtlijn, zullen zij dat zien, en ook niet meer komen. Zo’n richtlijn voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Maar wees gewaarschuwd.
De moeilijkheid van het geloof zit hem in de kinderlijke eenvoud ervan. Dus tegelijk in de oplossing, zit het probleem. Om een voorbeeld te geven van de kwestie over “potentiële energie”: iemand uit uw gemeente die fysicus is, heeft in een twee pagina groot artikel in het Reformatorisch Dagblad geschreven over de verhouding tussen geloof en wetenschap.
Hierboven gebruik ik de methode “kinderlijke onschuld” en de uitwerking is dan ook van een bijna belachelijk kinderlijke eenvoud: de werkelijkheid bestaat uit potentiële energie, God kan men beschouwen als de bestuurder hiervan, als het ware de bestuurder van de auto en wij zijn de kinderen op de achterbank. Wij zijn in principe weerloos. Maar de bestuurder reageert op de signalen van de kinderen op de achterbank: zijn de kinderen lief dan stopt de bestuurder bij de ijsjeswinkel, en zitten de kinderen te dreinen, dan gaat het linea reactie naar huis.
In het artikel van uw gemeentelid gaat dat echter heel anders. Hij kiest voor de volwassen filosofisch-analytische methode, en blijft dan zitten in duisternis: we weten het niet, wat de verhouding is. Misschien had dat tweehonderd jaar geleden nog gekund: de kerk is de kerk, dat is een instituut met gezag, en daar blijven we bij. Maar tegenwoordig hebben jongeren zoveel keus, je kan gewoon weglopen, en waarom zou je blijven bij een instituut dat leert “wij weten het niet”.
Ander voorbeeld: de reactie op mijn schematische uitwerking van de teksten
Kinderen houden van tekenen en iemand die redeneert vanuit kinderlijke onschuld, voelt geen bezwaar om ook vanuit de tekst een schematische opstelling te maken. Maar als men een volwassen filosofisch-analytische aanpak kiest, dan is zoiets “kinderachtig”.
Ik heb eerdere gedachtes, waaronder zelfs die over de ziekte van mijn ex vrouw en de werking van de bijzondere genade, gedeeld in een open gesprek met twee van uw gemeenteleden bij het Ontmoetingshuis.
Zij vonden de inhoud volgens mij wel interessant, “maar de schema’s gaat wel wat te ver”. Daar komt men inderdaad moeilijk mee weg, want het vraagt enorm veel van een volwassene, en zeker mensen in moderne tijd met relatief hoog ontwikkelingsniveau, om aan te nemen dat iets zo kinderlijk eenvoudig kan zijn. Als ik om mij heen kijk, of andere mensen dit wel kunnen zien: met de grootst mogelijke moeite nog niet.
Ik heb het ook aan universiteiten aangeboden. Maar die zitten zo diep geworteld in de filosofisch-analytische houding, dat is hun hele methodiek, dat iets als dit er nooit doorheen komt. De waarheid is “fundamenteel methodisch geblokkeerd”.
Ik had aan uw gemeenteleden ook nog geschreven: moeten jullie niet een “Digitaal Ontmoetingshuis” maken. Als de waarheid geblokkeerd is, dan verdwijnt dat echter natuurlijk direct van tafel. Je krijgt direct een “toxische” reactie, en dat is niet omdat de mensen niet aardig zijn, maar als zij in de filosofisch-analytische methode zitten, de volwassen methode, dan getuigt zo’n plan natuurlijk van een “kinderlijke naïviteit”.
Er ontstaat dus ook een zekere vijandigheid.
Dit heb ik in mijn leven vaak meegemaakt. Er is volgens mij een uitdrukking, en die houdt in: als volwassenen oorlog maken, dan zijn kinderen het eerste slachtoffer. Daar is in het Engels ook een naam voor, “prime target”. Dus als men de kinderlijke onschuld opgeeft, dan is alles wat daarmee verbonden is, ineens “prime target”.
Dat maakte ik al op jonge leeftijd mee. Ik kon namelijk al vrij vroeg lezen, ik zat toen nog op de kleuterschool. Voor mij was dat kinderlijk eenvoudig, “zoveel letters zijn er immers niet”. Als mensen echter zeggen dat iets kinderlijk eenvoudig is, dan wordt dit enorm gewantrouwd, dus ik verdween direct naar de achterste bank als “straf” dat je kan lezen. Dat is niet nodig, ik had later zelfs nog eens een leesmethode ontwikkeld, waardoor je jonge kinderen door het prikkelen van nieuwsgierigheid, sneller aan het lezen kan krijgen. Niet “aap noot mies”, maar lees maar eens eerst je naam: stop de naam van het kind tussen een aantal andere woorden en laat het hem opzoeken. Dat soort spelletjes.
Dit “target schieten” op kinderen is een venijnig iets.
Je komt het zelfs op de meest bijzondere plekken tegen. In het Evangelie wordt het nog als negatief bestempeld, het onschuldig Lam dat lijdt voor de wereld.
Maar als men even verder bladert dan is bij een kerkvorst als Augustinus het “target schieten” alweer tot hoogste kunst verheven. Hij heeft een verhandeling geschreven dat doodgeboren kinderen direct naar de hel gaan, omdat zij geen doopbewijs kunnen krijgen.
Als men een filosofisch-analytische methodiek toepast, zou dit technisch kunnen kloppen. Wanneer men echter begrip heeft voor de kwestie rond “kinderlijke onschuld”, dan ontstaat een heel ander beeld: Augustinus heeft het concept kinderlijke onschuld niet begrepen, of is het gaandeweg kwijt geraakt, en dan keert het zich om, en worden onschuldige kinderen zijn “prime target”.
In deze zin ben ik, met mijn brief, ook een “prime target” voor een ieder die de filosofisch-analytische methode voorstaat.
Men kan zeggen dat mijn schema’s van een kinderlijke eenvoud zijn, maar dan in de zin “kinderlijk belachelijk”. Het idee dat ik had geopperd van een “Digitaal Ontmoetingshuis” getuigt vanuit dat perspectief ongetwijfeld van een “kinderlijke naïviteit”. En mijn mening over Augustinus van een “kinderlijke brutaliteit”, het kind dat wil opstaan van tafel als de volwassenen nog bezig zijn.