Plato en Aristoteles
In de vorige blogposts heb ik wat dingen geschreven over magisch realisme. Als jij dat magisch realisme vindt, dan vind je ineens alle antwoorden tot het leven.
Dat is mooi. Tegelijk worden de antwoorden die anderen hebben bedacht wel een beetje gek, zelfs als het grote namen betreft; daarbij maakt het niet uit of het grote namen betreft, dat kunnen ook giga grote namen zijn zoals Plato en Aristoteles, die verschrompelen als kinderachtige zeurpieten.
Plato wantrouwde onze wereld; hij dacht dat onze wereld bestaat uit een donkere grot waarin we vastgeketend zitten.
Dat deed mij denken aan de dwergen uit Sneeuwwitje, die zitten ook altijd maar onder in hun grot. Een opmerkelijke gelijkenis: waarom zit je hele tijd in die donkere grot jij achterlijke? Wat een zeurkous ben jij.
Daarna kwam Aristoteles, die was meer voor leven in het licht. Maar hij zei dat het afhing van allerlei “existentialia”
Dat vond ik raar: weer zo’n gezeur. Die “strikte noodzakelijkheden” deed mij ook weer denken aan de zeven dwergen, zoals dat die “existentialia” eigenlijk stond voor dat hun tafeltjes netjes op hun plaats staan, en daarop netjes hun bordjes met rechts het mes en links de lepel, en hun bedjes.
Wat een stel mieperds die old school filosofen. Voor mij is dit een total weird experience: hoe kan het dat voor mensen zulke kanonnen van het denken zulke kaboutertaal uitkramen?
Misschien om te beseffen dat zulke mensen als Plato en Aristoteles echt de werkelijkheid niet gaan verklaren, noch je continent gaan beschermen; je moet het zonder hen doen.